Contacteer ons of spring binnen op Gordunakaai 85a in Gent.

Ontdek onze groepsbegeleidingen, en evenementen.

Het laatste nieuws en interessantste weetjes over de wereld van adoptie.

Ontdek een hulpverlener bij jou in de buurt via deze handige adoptiekaart.

Wil je meer weten?

Hier vind je meer informatie over uiteenlopende thema's zoals belang van het kind, specifieke ondersteuningsbehoeften, nazorg, opvoeding, identiteit en roots.

Opvoeding:

  • Vervroegde puberteit
  • Omgaan met diversiteit bij adoptie
  • Verhaal van de matroos
  • De adoptiepuberteit

Bekijk alles

Interlandelijke adoptie: Diversiteit is de sleutel

Het opnemen van andermans kind in het gezin is misschien zo oud als de mensheid. Vroeger stond het garanderen van een erfgenaam hierbij centraal. Sinds de jaren 50 is adoptie een fenomeen geworden dat landen en continenten verbindt. Het is duidelijk dat er bij het fenomeen van interlandelijke adoptie verantwoordelijkheden komen kijken die de privésfeer van gezinnen overschrijden.

De meeste herkomstlanden zijn landen uit het Zuiden en de meeste ontvangende landen, geïndustrialiseerde, rijke landen. Daarom dreigt het gevaar van kinderhandel en uitbuiting.

Kader voor adoptiebeleid in Vlaanderen

Het huidige adoptiebeleid in België steunt op twee belangrijke internationale verdragen die het belang van het kind centraal zetten. Het uitgangspunt is dat kinderen via adoptie een goede tweede kans moeten krijgen, dat het belang van het kind moet primeren.

Er worden dus geschikte ouders gezocht voor een kind in plaats van een kind voor verlangende en (meestal kinderloze) ouders.

Internationaal verdrag van de rechten van het kind

Het eerste belangrijke verdrag dat hier een rol speelt is dat van de rechten van het kind dat in 1991 door België werd geratificeerd (IVRH). Hierin wordt duidelijk gesteld dat internationale adoptie pas mag overwogen worden als voor het kind alle mogelijkheden in het land van herkomst zijn uitgeput. Het recht van een kind om in zijn oorspronkelijk milieu en bij zijn eigen familie op te groeien staat centraal.

Haags Verdrag inzake interlandelijke adoptie

In september 2005 ratificeerde België het Haags Verdrag inzake interlandelijke adoptie. Dit verdrag legt de bevoegdheden en verplichtingen voor herkomstlanden en de ontvangende landen vast.

  • Herkomstlanden moeten nagaan of er werkelijk geen kansen meer zijn voor het kind in het eigen land, of de ouders vrijwillig afstand hebben gedaan.
  • Ontvangende landen engageren zich om geschikte ouders voor het kind te zoeken. Via voorbereiding en evaluatie van kandidaten proberen ze ervoor te zorgen dat kinderen een goede tweede kans krijgen. De overheid van het ontvangende land oefent met andere woorden controle uit op wie mag adopteren en wie niet.

Federale adoptiewet

Sinds 2007 bestaat de federale adoptiewet die het mogelijk maakt dat alle Belgische kandidaat-adoptanten aan de voorwaarden van het Haagse Verdrag beantwoorden. Deze wet stelt ook dat er nazorg voor geadopteerden en hun ouders moet georganiseerd worden.

Decreet interlandelijke adoptie

In 2012 keurde het Vlaamse parlement een nieuw decreet Interlandelijke adoptie goed wat een aantal wijzigingen inhoudt:

  • De Vlaamse centrale autoriteit wordt Vlaams Centrum voor Adoptie
  • Instroombeheer van kandidaat-adoptanten aan het begin van de procedure
  • Voorbereiding, vorming en nazorg in één overkoepelende organisatie: Steunpunt Adoptie
  • Raadgevend comité met adviserende functie inzake adoptie-aangelegenheden
  • Optimalisatie van het maatschappelijk onderzoek in functie van de wetenschappelijke bevindingen.


Laat ons vertrekken van een actuele stand van het onderzoek naar de effecten van interlandelijke adoptie. Daarna gaan we in op het veranderde profiel van de kinderen die anno 2013 nog voor adoptie in aanmerking komen.

Zo wordt duidelijk dat van adoptieouders tegenwoordig een stevig pedagogisch potentieel wordt verlangd en daaruit volgt dat zij op hun beurt hoge verwachtingen hebben wat ondersteuning en nazorg betreft ( cfr. Onderzoek van A.Buysse en M.Vandenbroeck:” Adoptie is er altijd maar is niet altijd relevant, nazorg in het zelf samengestelde gezin”)

Zowel de geadopteerden als de adoptieouders staan voor extra taken die een leven lang meespelen. We belichten hier drie van deze extra ‘s:

  • gehechtheid,
  • rouw en verlies en
  • diversiteit.

Zowel bij de voorbereiding van kandidaat-adoptanten als in de nazorg nemen deze thema’s  een belangrijke plaats in.

Volgens Brodzinsky betekent adoptie vaardig kunnen omgaan met grote verschillen in een gezinscontext. Diversiteit, preventie en adoptie zijn daarom nauw met elkaar verbonden.


Studies en onderzoek over adoptie

In de afgelopen decennia zijn er honderden psychologische en pedagogische studies over adoptie gepubliceerd.
De belangrijkste conclusie lijkt dat adoptiekinderen maatschappelijk kwetsbaar zijn.

Zij hebben meer en vaker gedragsproblemen en kampen met meer emotionele problemen in vergelijking met hun niet-geadopteerde leeftijdsgenoten (Wierzbicki, 1997; Verhulst & Versluis-den Bieman, 1989; Versluis-den Bieman, 1994, Stams, 1999). 

In de jongvolwassenheid lopen geadopteerden (als groep) een groter risico op het ontwikkelen van psychische problemen (Tieman 2006, Storsbergen 2004). Volgens een Zweeds onderzoek hebben geadopteerden een grotere kans om te overlijden ten gevolge van zelfdoding, doen zij vaker een suïcidepoging en worden zij vaker opgenomen ten gevolge van een verslaving of psychiatrische problematiek.

Al deze studies benadrukken de risico’s die adoptie met zich mee kan brengen.

Femmie Juffer (2002), de huidige hoogleraar adoptie in Nederland, benadrukt echter in haar inaugurale rede dat adoptiekinderen niet zonder meer met leeftijdgenoten vergeleken mogen worden. Het alternatief voor adoptie is vaak het achterblijven in een (verwaarlozende) tehuisomgeving, met alle negatieve gevolgen van dien.

In een omvangrijk meta-analytisch onderzoeksproject bekeken Juffer en Van IJzendoorn 270 adoptiestudies over het functioneren van adoptiekinderen. Het gaat  hierbij over geadopteerden van alle leeftijden, geadopteerd voor hun eerste verjaardag of erna, interlandelijk of binnenlands geadopteerden, jongens en meisjes.

De resultaten van deze meta-analyse tonen op overtuigende manier aan dat, naast de eerder genoemde risico’s en problemen, adoptiekinderen de, in een tehuis of elders opgelopen achterstanden, grotendeels inhalen.

“Is het glas halfleeg of is het halfvol?”. Zo introduceert Juffer steeds de vaststelling dat adoptiekinderen een indrukwekkende inhaalslag maken op alle terreinen van de ontwikkeling (fysieke ontwikkeling, gehechtheid, cognitieve ontwikkeling, zelfwaardering en gedragsproblemen). Ze vergelijkt dit dan met de situatie waaruit de kinderen komen.

Adoptie kan gezien worden als effectieve interventie die adoptiekinderen een grote voorsprong geeft op de leeftijdgenoten die ze in een tehuis achterlaten. Tegelijkertijd kampen adoptiekinderen met achterstanden wanneer hun ontwikkeling wordt vergeleken met hun leeftijdgenoten in het ontvangende land.

Er zijn significante achterstanden wat betreft lichamelijke groei, gehechtheid, schoolprestaties en gedragsproblemen steken de kop op. Enkele belangrijke conclusies blijven overeind. 

Bij adoptiekinderen die na hun eerste verjaardag werden geadopteerd, vinden we meer achterstand. Wat gehechtheid betreft, lopen adoptiekinderen meer risico op een gedesorganiseerde gehechtheid.

Toch is niet de leeftijd waarop kinderen geadopteerd worden doorslaggevend in het ontstaan van gehechtheid. Wat telt zijn de vroegere ervaringen in verband met verbondenheid en zorg die het kind in het land van herkomst heeft gekend. Adoptiekinderen en adoptieouders zijn oververtegenwoordigd in de hulpverlening. Vragen adoptieouders vlugger hulp of is het effect van de hulpverlening zelf, of zijn er echt meer problemen?

Precies dit laatste is belangrijk in de context van begeleiding aan adoptiegezinnen. De bevindingen uit de meta-analyse mogen ons niet overmoedig maken. Adoptieouders en hun kinderen leven in deze maatschappij en worden afgerekend ten opzichte van de ouders en kinderen daar.


Adoptiekinderen met een ander profiel

De laatste jaren verandert het profiel van de kinderen die voor adoptie in aanmerking komen. Anders gezegd: het zijn niet meer hoofdzakelijk kleine jonge, gezonde baby’s die kunnen geadopteerd worden. De landen waaruit geadopteerd wordt, wisselen ook.

Waarom dit profiel zo drastisch wijzigt is een niet makkelijk te beantwoorden vraag. Laat ons ervan uitgaan dat het subsidiariteitprincipe uit het Haagse Verdrag beter wordt nagevolgd.

Dit impliceert dat interlandelijke adoptie echt pas als laatste redmiddel wordt gehanteerd als alle andere mogelijkheden in het land van herkomst uitgeput zijn. Een ultimum remedium  zoals men het graag noemt.

Hoewel het aantal interlandelijke adopties in de meeste West-Europese landen terugloopt, lijkt er toch nog voldoende legitimatie bestaan om er mee door te gaan. We verwijzen hier nogmaals naar de bevindingen van Van IJzendoorn en Juffer die benadrukken dat adoptie een krachtige interventie is.

Een ingreep die je op grond van onderzoeksresultaten evidence based mag noemen. Al gaat het dan om hulpverlening aan kinderen die evidence based is, op individueel niveau blijft de kwetsbaarheid van de geadopteerde en zijn gezin.

 

Veranderende profiel heeft gevolgen voor voorbereiding op adoptie en nazorg

In de landen van herkomst worden de kleine, jonge baby’s steeds meer binnen de eigen familie of een pleeggezin opgevangen.

De kinderen die nog voor interlandelijke adoptie in aanmerking komen, zijn diegene die we als kinderen met specifieke ondersteuningsbehoefte omschrijven.

Het gaat dan om kinderen die

  • een langdurig verblijf in een tehuis achter de rug hebben,
  • kinderen met ouders die uit de ouderlijke macht zijn ontheven omwille van verwaarlozing of mishandeling,
  • kinderen met een zwaar medisch of sociaal dossier,
  • kinderen met een lichamelijke of mentale handicap,
  • siblings (groepjes van biologische verwante kinderen),
  • kinderen ouder dan 4 jaar …

Dit betekent voor adoptieouders een verzwaring van hun opvoedingstaak.
In feite komen zo adoptie en pleegzorg weer dichter bij elkaar omdat de achtergrond van de kinderen waarvoor een gezin wordt gezocht meer vergelijkbaar is.

Er is nood aan ouders met een pedagogisch kapitaal en ouders die over veel hulpbronnen in hun omgeving kunnen beschikken om te garanderen dat adoptie een effectieve interventie wordt.
Adoptie en pleegzorg liggen meer en meer in elkaars verlengde en moeten met de nodige zorg omringd worden. Jammer genoeg is er zowel in Vlaanderen als in Nederland nog een grote kloof tussen de voorbereiding en de nazorg bij pleegzorg en adoptie. Veel hulpverleners zien overeenkomsten in thema’s en hulpvragen maar de praktijk loopt uit elkaar. Dat is jammer en soms dreigt verspilling van energie en ideeën.
Hoewel er verschillende initiatieven zijn van individuele personen en diensten om samen te werken wat betreft pleegzorg en binnen – en buitenlandse adoptie heeft de COROBA ronde (consultatieronde binnenlandse adoptie 2012) geen enkele beleidsaanbeveling in die richting geformuleerd.

 

Extra opvoederstaken en ontwikkelingstaken

De studie van Juffer en Van IJzendoorn laat zien dat adoptiekinderen ongeveer tweemaal zo vaak gedesorganiseerde gehechtheid vertonen als kinderen in normatieve groepen. (31% t.o.v. 15 %). Tegelijkertijd benadrukt deze studie dat ze ook een indrukwekkende inhaalslag maken. Kinderen in tehuizen tonen nog meer gedesorganiseerde gehechtheid (66%).

Deze inhaalslag gebeurt echter niet vanzelf en de adoptie en de opname in het gezin is slechts het begin. Het eigenlijke werk moet daarna gebeuren. Adoptieouders moeten dus voorbereid en ondersteund worden om de inhaalslag, ook op individueel niveau waar te maken.

In de voorbereidingscursus voor kandidaat-adoptieouders worden de extra opvoedingstaken voor adoptieouders in groep besproken en toegelicht. Na de voorbereidingssessies kunnen kandidaat-adoptieouders beslissen of zij verder willen gaan met de procedure. Dit betekent dan concreet de stap zetten naar evaluatie en een vonnis bij de jeugdrechter.

Gehechtheid en verbondenheid

Gehechtheid en verbondenheid tussen ouder en kind vormt een belangrijk thema in de voorbereiding. Adoptiekinderen die naar België komen hebben al ervaringen met andere volwassenen achter de rug.

Ze dragen deze in hun rugzakje mee: ervaringen van goede zorg, ontoereikende zorg of zelfs verwaarlozing. Adoptiekinderen hebben op het vlak van gehechtheid soms nog heel wat in te halen. Ze zijn geen onbeschreven blad. Via een doordachte strategie van teruggaan en inhalen kan in het adoptiegezin heel wat worden bereikt. Voorspelbaarheid en beschikbaarheid van ouders kunnen hier wonderen doen.

In de nazorg komt dit thema het meest terug. Adoptieouders stellen zich vragen over de band met hun kind, het loopt niet zoals verwacht. Ze zoeken hulp. Via enkele projecten in het Steunpunt Nazorg Adoptie probeert men hieraan tegemoet te komen. Vlak voor de afreis om het kind op te halen, worden daarom extra groepssessies georganiseerd. De adoptieouders in spe kunnen hierop ook vrienden en familie uitnodigen. Zo kan de omgeving mee worden voorbereid en wordt steun na de aankomst mogelijk. Eens het kind in het gezin is, kan een begeleiding via het model van Truus Bakker soms houvast bieden. Als kinderen in het land van herkomst zwaar werden getraumatiseerd, begint een lange en moeilijke zoektocht naar gespecialiseerde hulp.

Omgaan met verlies en rouw

Een tweede extra opvoedingstaak voor de adoptieouders en  een extra ontwikkelingstaak voor de geadopteerde is het omgaan met  verlies en rouw. Bij de geadopteerde gaat het om een totaal verlies van cultuur, gezin van oorsprong, taal enz.

Dit verlies lijkt bovendien te berusten op een bewuste beslissing van een of beide geboorteouders. Precies daarom zorgt dit voor veel existentiële vragen. Ook adoptieouders kennen verlieservaringen: ongewenste kinderloosheid, gemis van genetische verwantschap enz. De afstandsouders worstelen levenslang met het verlies van hun kind.

Tegenwoordig is het zoeken naar roots bij geadopteerden en hun adoptieouders enorm in. Media tonen pakkende verhalen van kinderen of jongvolwassenen die hun geboorteouders terugvinden. Zoeken naar je gezin van oorsprong lijkt spectaculair maar heeft veel met verlies en rouw te maken. De fundamentele posities van alle partijen van de adoptiedriehoek worden in vraag gesteld en de onderlinge loyaliteiten worden door elkaar geschud.

Op het vlak van openheid, zoeken en vragen naar de oorsprong liggen zeker nog kansen voor hulpverlening. Zo kan het bemiddelingsmodel worden gehanteerd om de belangen en bezorgdheden van alle partijen naast elkaar te plaatsen.
Bij adoptie en bij elke opbouw van identiteit gaat het om een zoeken waarbij je op het terrein van anderen komt, je riskeert daarbij hun eigenheid te bedreigen. Bij elke zoekvraag en elke vraag naar openheid zou elk van de drie partijen moeten proberen de andere twee partijen in het achterhoofd te houden.
Meervoudige partijdigheid geldt dus zeker voor elke hulpverlener die vragen naar informatie of vragen naar openheid krijgt. Probeer je te verplaatsen in de drie partijen en zie hoe je dan kan handelen, wat je dan best doet en niet doet. Meestal handel je vanuit die ingesteldheid zorgvuldiger, trager en behoedzamer. In het voorbereidingsprogramma proberen we verlies en rouw bij elk van de drie partijen te illustreren.

Omgaan met diversiteit

Een derde extra taak is het omgaan met diversiteit, zowel voor de geadopteerde als voor de adoptieouders.

Sinds het werk van Kirk (1964) weten we dat het cruciaal is hoe in het adoptiegezin over adoptie wordt gecommuniceerd.

Durft men het verschil met biologisch ouderschap benoemen of verwerpt men het verschil? Later komt het werk van  Brodzinsky, die nuanceert en verfijnt dit denken en stelt dat extreme communicatiestijlen steeds tot problemen leiden. Krampachtig benadrukken dat je een gezin bent net zoals gezinnen met biologisch eigen kinderen is niet heilzaam. Steeds benadrukken of beklemtonen hoezeer je verschilt van anderen is het evenmin. Een gulden middenweg lijkt die waarin het adoptiekind met zijn eigen voorgeschiedenis en dubbele stamboom een veilige plaats krijgt. Een samenhorig samen zijn in verschil.

We hebben geleerd dat vaardig kunnen omgaan en praten over verschillen een van de belangrijkste extra’s is bij adoptie. Die verschillen zijn niet gering. Het kind komt uit een andere cultuur, ziet er anders uit, heeft een voorgeschiedenis die de ouders niet vanaf  de eerste dag hebben meegemaakt, is niet via geboorte in het gezin terecht gekomen.

Wat kandidaten gedurende de voorbereiding als vanzelfsprekend gaan beschouwen, nl. de adoptie van een kind uit een ver land, waarschijnlijk een kind dat er duidelijk anders uitziet, is voor hun omgeving niet zo evident. Reacties en vragen over adoptie komen heel het ouderschap lang. De vraag is hoe je er als adoptieouders kan op ingaan.

Hoe praat je over verschil en hoe ben je daarin model voor je adoptiekind?

Hiervoor hanteren we een expliciet model over omgaan met diversiteit geïnspireerd door het Antibiasprogramme van Louise Derman-Sparks.

  1. Kort gezegd komt dit hierop neer dat kinderen eerst een stevig zelfbeeld moeten kunnen opbouwen. Dit doen opvoeders door alle aspecten van de identiteit van het kind te erkennen en te bevestigen. Dus ook het geadopteerd zijn, het feit van nog andere ouders te hebben.  Hiervoor hebben kinderen niet alleen liefhebbende volwassenen nodig maar ook spiegels van mensen zoals zij in hun leefomgeving.
  2. De tweede stap in het diversiteitprogramma is meer gericht naar de andere. Hierin wordt benadrukt dat verschillen OK zijn, dat ze mogen benoemd worden. Hier waarschuwt Sparks voor kleurenblindheid (verschillen niet durven benoemen vanuit een misplaatst gelijkheidsdenken) en toerisme (enkel verschillen tussen mensen zien en geen overeenkomsten).
  3. De volgende stappen is het kritisch leren denken over vooroordelen. Welke stereotypen bestaan er over er groepen van mensen (ev. over het herkomstland van het kind) en hoe kunnen die kwetsen? Hoe kun je als laatste stap opkomen voor jezelf en anderen?

Deze laatste vraag, nl. hoe men kan omgaan met discriminatie, is vaak de eerste zorg van de kandidaat-adoptanten. Via het model Sparks benadrukken we dat dit maar een facet is van het vaardig omgaan met verschillen. Voor ons ligt de klemtoon op het durven benoemen van verschillen zonder dat dit kwetsend of bedreigend is. Geef kinderen hiervoor taal. Dit begint in het adoptiegezin.

 

Auteurs
Ann Somers en Nadine Meeus, medewerkers van VCOK-adoptie (voorbereiding op adoptie) en van het Steunpunt Nazorg Adoptie

 

Referenties en bronnen

Femmie Juffer, Oratie bij het aanvaarden van het ambt van bijzonder hoogleraar Studie van adoptie aan de universiteit van Leiden, februari 2002.

Brodzinsky , D.M., Schechter, M.D. , Henig R.M. Geadopteerd, een leven lang op zoek naar jezelf, 1997.

Kirk , H.D. Adoptive kinship. A modern institution in need of reform. Port Angeles, Washington: Ben Simon public, 1985.

Sparks Louise-Derman. Anti-bias curriculum: tools for empowering young children. Assoc. for the education of young children, Washington, 1989.

Wierzbicki, M.C. Psychological adjustment of adoptees: a meta-analysis. Journal of clinical Child Psych; 22, 447-454, 1993.

Verhulst F.C., Althaus M., Versluis-den Bieman H.J. Problem behavior in international adoptees: an epidemiological study. Journal of American Ac. of Child and Adolescent Psychiatry, 29, 94-103, 1990.

Stams G.J., Juffer F., Rispens J., Hoksbergen R. Het functioneren van zevenjarige kinderen die als baby uit het buitenland werden geadopteerd. Kind en adolescent, 22, 114-140, 2001.

Truus Bakker-Van Zeil, Hechtingsmogelijkheden van adoptiekinderen in Adoptie: een levenslang dilemma. Red. Hoksbergen R. en Walenkamp H. Bohn Stafleu, Van Loghum 2000.