Contacteer ons of spring binnen op Gordunakaai 85a in Gent.

Ontdek onze groepsbegeleidingen, en evenementen.

Het laatste nieuws en interessantste weetjes over de wereld van adoptie.

Ontdek een hulpverlener bij jou in de buurt via deze handige adoptiekaart.

Wil je meer weten?

Hier vind je meer informatie over uiteenlopende thema's zoals belang van het kind, specifieke ondersteuningsbehoeften, nazorg, opvoeding, identiteit en roots.

Opvoeding:

  • Openheid versus geslotenheid - Life Story Work
  • Therapieboekje over hechtingsproblemen
  • Benoemen en sensitieve responsiviteit
  • Omgaan met diversiteit bij adoptie

Bekijk alles

Teruggaan en inhalen: De kwetsbare gehechtheidsontwikkeling van geadopteerden

Het opnemen van een vreemd kind in het gezin is misschien zo oud als de mensheid. Vroeger stond het garanderen van een erfgenaam hierbij centraal. Sinds de jaren 50 is adoptie een fenomeen geworden dat landen en continenten overschrijdt.

Hoewel de meeste aspirant-ouders pas aan adoptie denken als ze zelf geen eigen kinderen kunnen krijgen is het duidelijk dat bij het fenomeen van interlandelijke adoptie verantwoordelijkheden komen kijken die de privésfeer van gezinnen duidelijk overschrijden. Vermits de meeste herkomstlanden ontwikkelingslanden zijn en de meeste ontvangende landen geïndustrialiseerde, rijke landen, is het gevaar van kinderhandel en uitbuiting niet denkbeeldig.

  • Adoptiebeleid in België
  • Onderzoek
  • Veranderend profiel van adoptiekinderen
  • Extra opvoedings- en ontwikkelingstaken in verband met gehechtheid
  • ons adoptiekind is aangekomen, wat nu met de hechting?
  • Strategie van teruggaan en inhalen
  • Tips voor adoptieouders

 

Adoptiebeleid in België

Het huidige adoptiebeleid in België steunt op twee belangrijke internationale verdragen die het belang van het kind centraal zetten. Uitgangspunt is dat kinderen via adoptie een goede tweede kans moeten krijgen; dat het belang van het kind primeert. Ouders zoeken voor een kind dus in plaats van een kind voor ouders.

  • Verdrag van de Rechten van het kind

Het eerste belangrijke verdrag is het Verdrag van de Rechten van het Kind dat in 1991 door België werd geratificeerd. Hierin wordt duidelijk gesteld dat internationale adoptie pas mag overwogen worden als alle mogelijkheden in het land van herkomst voor het kind zijn uitgeput. Het recht van een kind om in zijn oorspronkelijk milieu en bij zijn eigen familie op te groeien staat centraal.

  • Het Haags Verdrag inzake interlandelijkek adoptie

In september 2005 ratificeerde België het Haags Verdrag inzake interlandelijke adoptie. Dit verdrag legt de bevoegdheden en verplichtingen voor herkomst- en ontvangende landen vast.
Herkomstlanden moeten nagaan of er werkelijk geen kansen meer zijn voor het kind in het eigen land en of de ouders vrijwillig afstand hebben gedaan. Ontvangende landen engageren zich hierbij om geschikte kandidaten voor het kind te zoeken. Via voorbereiding en selectie van kandidaten proberen ze ervoor te zorgen dat kinderen een goede tweede kans krijgen. De overheid van het ontvangende land oefent met andere woorden controle uit op wie mag adopteren en wie niet.

  • Federale adoptiewet

Pas in 2007 is de nieuwe federale adoptiewet in voege gegaan die het mogelijk maakt dat alle Belgische kandidaat-adoptanten beantwoorden aan de voorwaarden van het Haagse verdrag. Daarnaast beoogt de wet dat er nazorg moet georganiseerd worden voor geadopteerden en hun ouders.

Vertrekpunt is de actuele stand van het onderzoek naar de effecten van interlandelijke adoptie. Daarna gaan we in op het veranderde profiel van de kinderen die nog voor adoptie in aanmerking komen. Zo wordt duidelijk dat van adoptieouders een stevig pedagogisch potentieel wordt verlangd.

Zowel de geadopteerden als de adoptieouders staan voor extra taken die een leven lang meespelen. In de lezing belichten we één van deze extra‘s: gehechtheid. Zowel bij de voorbereiding van kandidaat-adoptanten als in de nazorg neemt dit thema een belangrijke plaats in.

 

Onderzoek

In de afgelopen decennia zijn er honderden psychologische en pedagogische studies naar adoptie gepubliceerd. De belangrijkste conclusie is dat adoptiekinderen maatschappelijk kwetsbaar zijn.
Zij hebben meer en vaker gedragsproblemen en meer emotionele problemen in vergelijking met hun niet-geadopteerde leeftijdsgenoten.

In de jong-volwassenheid lopen geadopteerden als groep een groter risico op het ontwikkelen van psychische problemen. Volgens een Zweeds onderzoek lopen geadopteerden een hoger risico te overlijden ten gevolge van suïcide, doen zij vaker een suïcidepoging en zijn zij vaker opgenomen ten gevolge van verslavings- of psychiatrische problematiek.  Al deze studies benadrukken de risico’s die adoptie met zich mee kan brengen.

Femmie Juffer beargumenteert in haar inaugurale rede dat adoptiekinderen niet zonder meer met leeftijdgenoten vergeleken moeten worden. Het alternatief voor adoptie is vaak het achterblijven in een (verwaarlozende) tehuisomgeving, met alle negatieve gevolgen van dien. In een omvangrijk meta-analytisch onderzoeksproject namen Juffer en Van Ijzendoorn 270 adoptiestudies naar het functioneren van adoptiekinderen op.  Het gaat over geadopteerden van alle leeftijden, geadopteerd voor hun eerste verjaardag of erna, internationaal of binnenlands geadopteerden, jongens/meisjes enz.

De resultaten van deze meta-analyse werden voorgesteld in The Emanuel Miller Lecture 2006: Adoption as an intervention.  Zij tonen op overtuigende manier aan dat, naast de eerder genoemde risico’s en problemen, adoptiekinderen de in een tehuis of elders opgelopen achterstanden, grotendeels inhalen.

“Is het glas halfleeg of is het halfvol?” Zo introduceert Juffer steeds de vaststelling dat adoptiekinderen vergeleken met de situatie waaruit ze komen, een indrukwekkende inhaalslag maken op alle terreinen van de ontwikkeling:

  • fysieke ontwikkeling,
  • gehechtheid,
  • cognitieve ontwikkeling,
  • zelfwaardering en
  • gedragsproblemen.

Adoptie kan gezien worden als een effectieve interventie die adoptiekinderen een grote voorsprong geeft op de leeftijdgenoten die ze achterlaten in een tehuis. Tegelijkertijd kampen adoptiekinderen met achterstanden wanneer hun ontwikkeling wordt vergeleken met hun huidige leeftijdgenoten.

Er zijn significante achterstanden wat betreft lichamelijke groei, gehechtheid, schoolprestaties en gedragsproblemen.

  • bij adoptiekinderen die na hun eerste verjaardag werden geadopteerd vinden we meer achterstanden;
  • wat gehechtheid betreft lopen adoptiekinderen meer risico op een gedesorganiseerde gehechtheid;
  • internationaal geadopteerden lopen niet meer risico op allerlei ontwikkelingsproblemen dan binnenlands geadopteerde kinderen en bij gedragsproblemen zijn zij zelfs in het voordeel;
  • adoptiekinderen & -ouders zijn oververtegenwoordigd in de hulpverlening.

Precies dit laatste is belangrijk in de context van vroege ouder-kind begeleiding.  De bevindingen uit de meta-analyse mogen ons niet overmoedig maken.  Adoptieouders en hun kinderen leven in deze maatschappij en worden afgerekend ten opzichte van hun huidige mede-ouders en leeftijdgenoten.  In deze context hebben zij extra opvoederstaken en ontwikkelingstaken.

 

Veranderend profiel van adoptiekinderen

De laatste jaren verandert het profiel van de kinderen die voor adoptie in aanmerking komen. Anders gezegd: het zijn niet meer hoofdzakelijk kleine jonge, gezonde baby’s die geadopteerd worden. De landen waaruit geadopteerd wordt wisselen ook.

Waarom dit profiel zo drastisch wijzigt is een niet makkelijk te beantwoorden vraag. Laat ons het hier simpel en optimistisch houden en ervan uitgaan dat het subsidiariteitprincipe uit het Haagse Verdrag beter wordt nagevolgd.

Dit impliceert dat interlandelijke adoptie echt pas als laatste redmiddel wordt gehanteerd als alle andere mogelijkheden in het land van herkomst uitgeput zijn. Een ultimum remedium. Hoewel het aantal internationale adopties in de meeste landen terugloopt, lijkt er toch nog voldoende legitimatie te bestaan om ermee door te gaan, refererend naar de bevindingen van Van IJzendoorn en Juffer die benadrukken dat adoptie een krachtige interventie is. Een die je op grond van onderzoeksresultaten evidence based mag noemen.

Een kinderbeschermingsmaatregel op individueel niveau die evidence based is, misschien wel de enige volgens Vincke, blijft echter de kwetsbaarheid van de geadopteerde en zijn gezin.

Dit veranderende profiel van adoptiekinderen heeft wel gevolgen voor preventie en nazorg.

In de landen van herkomst worden de kleine, jonge baby’s steeds meer binnen de eigen familie of een pleeggezin opgevangen. De kinderen die nog voor interlandelijke adoptie in aanmerking komen, zijn diegene die we naar onze normen kinderen met een kinderbeschermingsverleden zouden noemen.

Het gaat dan om

  • kinderen die een langdurig verblijf in een tehuis achter de rug hebben,
  • kinderen wiens ouders uit de ouderlijke macht zijn ontheven omwille van verwaarlozing of mishandeling,
  • kinderen met een zwaar medisch of sociaal dossier,
  • kinderen met special needs,
  • siblings (groepjes van biologische verwante kinderen) en
  • kinderen ouder dan 4 jaar.

In feite komen adoptie en pleegzorg zo dichter naar elkaar toe omdat achtergrond van de kinderen waarvoor een gezin wordt gezocht meer vergelijkbaar wordt. Dit betekent voor adoptieouders een verzwaring van hun opvoedingstaak.

 

Extra opvoederstaken en ontwikkelingstaken in verband met gehechtheid

De meta-analyse van Juffer en Van Ijzendoorn laat zien dat adoptiekinderen ongeveer tweemaal zo vaak gedesorganiseerde gehechtheid vertonen als kinderen in normatieve groepen (31 t.o.v. 15 %).  Tegelijkertijd benadrukt deze studie een indrukwekkende inhaalslag, want kinderen in tehuizen tonen veel vaker gedesorganiseerde gehechtheid (66%).

Deze inhaalslag gebeurt echter niet vanzelf en de adoptie is slechts de eerste stap.  Het eigenlijke werk gebeurt in het adoptiegezin. Adoptieouders moeten dus voorbereid en ondersteund worden om de inhaalslag ook op individueel niveau waar te maken.

In de verplichte voorbereidingscursus voor kandidaat-adoptieouders wordt op verschillende niveaus gewerkt.

Eerst en vooral proberen we kandidaat adoptanten te doen beseffen dat vroege ervaringen met verzorgingsfiguren een invloed hebben op de interne representatie van gehechtheid die het kind met zich meebrengt.  Dit gebeurt a.d.h.v. inzichten uit de gehechtheidstheorie, maar evengoed door een inleefoefening.

De inhaalstrategie volgens T. Bakker, waarin de ontwikkeling van gehechtheid voorgesteld zoals ze idealiter verloopt (aan de linkerkant) en het tegenovergestelde (aan de rechterkant).

 

Ons adoptiekind is aangekomen, wat nu met de hechting?

Adoptieouders willen graag dat een adoptiekind 'hun' kind wordt en aan hen gehecht geraakt. Zij doen er alle moeite voor om een goede, wederzijdse band te krijgen met hun kind. Bij adoptie is er de complicatie dat een adoptiekind altijd minstens één scheiding heeft meegemaakt en soms onverschillig of afwijzend is behandeld in zijn vorig milieu. Deze ervaringen kunnen hun uitwerking hebben op het vertrouwen dat het kind in de eerste levensjaren opbouwt. Adoptieouders kunnen hun kind helpen dit vertrouwen te bereiken of te herstellen.

Hechting is echter niet hetzelfde als binding, een begrip dat in de jaren ’70 erg in de mode kwam door het werk van twee Amerikaanse kinderartsen. Binding zou plaatsvinden in de eerste uren na de geboorte; het moment waarop zowel moeder als de pasgeboren baby biologisch klaar zijn om een band aan te gaan.

De onderzoekers dachten dat er een kritieke periode was waarin de binding moest ontstaan, een soort alles-of-nietssituatie. Slecht nieuws dus voor adoptieouders. Het wetenschappelijk onderzoek dat aanleiding gaf tot deze theorie was echter voornamelijk uitgevoerd bij dieren.  Maar een mensenbaby is gelukkig geen aap of gans en er is geen wetenschappelijk onderzoek dat erop wijst dat een dergelijk “bindingsuur” bij mensen bestaat.
Baby’s worden wél geboren met een bijna ingebouwd vermogen om de nabijheid van volwassenen uit te lokken om te kunnen overleven. Pas als een baby deze vermogens lange tijd gebruikt, en er een wisselwerking ontstaat met de volwassene die voor het kind zorgt, ontstaat er hechting.  Je kunt dus misschien beter over een gevoelige dan over een kritieke periode spreken.

Belangrijk is ook dat we hier spreken van een wisselwerking. Het hechtingsproces is wederzijds en moet ook op gang komen vanuit de adoptieouder(s). Volwassenen hebben immers ook ingebouwde vermogens om op baby’s of kinderen te reageren en heel vaak hebben die vermogens te maken met hoe er op onszelf als baby of als kind is gereageerd.

Hechting is dus een wederzijds proces. Het gaat om de band die ontstaat tussen een jong kind en zijn voornaamste verzorgers, meestal zijn ouders. Jonge kinderen (baby’s) zijn hulpeloos wanneer er geen volwassenen zijn die voor hen zorgen en hen het nodige geven (eten, knuffels…).  Zonder hen kan hij niet overleven, wordt hij niet tegen gevaar beschermd.

Gek genoeg zorgt een goede band (veilige gehechtheid) tussen kind en ouders ervoor dat het kind vrij is om de wereld te verkennen omdat hij er gerust in is dat zij er zullen zijn wanneer hij ze nodig heeft.  Een veilige afhankelijkheid is de voorwaarde voor een gezonde onafhankelijkheid. Bovendien bestaat er een duidelijke link tussen die veilige gehechtheid en het zelfbeeld van een kind: “Als ik zo graag gezien word, dan moet ik wel de moeite waard zijn.” Het omgekeerde geldt jammer genoeg ook.

Bijna alle kinderen hechten zich aan iemand, alleen verschilt de kwaliteit van die gehechtheid sterk.
In welke mate wordt het kind geborgenheid, rust en voorspelbaarheid geboden of is de zorg die het kind krijgt ontoereikend en onvoorspelbaar?
Adoptiekinderen zijn dus geen onbeschreven blad, de gehechtheidservaringen die ze opdeden met vroegere verzorgers bepalen mee hun huidig gedrag.

Kinderpsychiater Peter Adriaenssens spreekt van een filter, therapeute Truus Bakker spreekt van een gehechtheidsrepresentatie, een innerlijk schema over “being with the other”, hoe het samenzijn met een volwassene zal zijn.

  • Een adoptiekind dat liefdevolle zorg van zijn verzorger(s) mocht ondervinden, erop kon rekenen wanneer nodig, erop kon terugvallen in stressvolle situaties… neemt deze blauwdruk mee naar zijn adoptieouders. Hij verwacht van hen ook steun en koestering en vertrouwt erop dat ze er zullen zijn wanneer nodig, al zal hij waarschijnlijk wel een fase van rouw doorlopen omwille van het verlies van die eerste band.
  • Een adoptiekind dat heeft ondervonden dat volwassenen weinig voorspelbaar waren in hun zorg en niet boden wat hij nodig had, neemt deze ervaring ook mee.
  • Een kind dat ondervond dat volwassenen steeds wisselden en geen constante zorg konden bieden neemt deze ervaring ook mee.

Het is de verdienste van de Britse professor J. Bowlby en zijn opvolgers Ainsworth en Main dat zij hechting hebben onderzocht en beschreven als een proces dat ontstaat in de relatie tussen een kind en zijn vaste verzorgers.

Het hechtingsproces verloopt volgens hen in verschillende stappen of fasen.  Truus Bakker heeft deze stappen in een model verwerkt dat zij de hechtingspiramide noemt. Het beeld van de piramide staat voor het idee dat de onderste bouwsteen, basisveiligheid, er goed en stevig moet staan opdat de volgende bouwstenen zouden kunnen worden opgebouwd.

Voor adoptieouders die net ouder zijn geworden is het dan erg belangrijk om de signalen van hun kind te leren kennen zodanig dat ze kunnen ontdekken wat hun kind nodig heeft en welke bouwstenen er nog geheel of gedeeltelijk moeten worden opgebouwd.  Dit noemen we de  strategie van teruggaan en inhalen.

We bespreken bouwsteen per bouwsteen hoe deze fase in de “ideale” situatie verloopt tussen een baby en zijn verzorger (meestal de moeder) om dan te kijken wat adoptieouders kunnen doen voor een kind dat in deze fase wat te kort is gekomen.

 

Bouwstenen van de hechtingspiramide

1. Eerste bouwsteen: basisveiligheid

In de eerste drie maanden van zijn leven is een kind volledig afhankelijk van één of meer volwassenen.  Een baby kan zich goed voelen of niet (lust of onlust) en hij/zij kan dit uiten door tevreden te slapen of te drinken, of door te huilen en onrustige bewegingen te maken. 

Als reactie op die signalen zal de ouder of verzorger de baby dragen, wiegen, beschermen, voeden of liefdevol aanraken. De ouder of verzorger leert aanvoelen wat de baby nodig heeft en wanneer goed op zijn signalen wordt gereageerd, zal de baby zich veilig voelen. Zo wordt de wereld van de baby voorspelbaar: “Als ik het signaal geef dat ik honger heb, dan krijg ik te eten”. De baby gaat wennen aan de stem van de ouder of verzorger, aan geuren en lichaamstaal. Voor de ouder of verzorger is het een fase van leren kennen, aanvoelen en aanbieden wat de baby nodig heeft.

Voor een adoptieouder is het in deze fase heel belangrijk (onafgezien van de leeftijd van hun kind) om hun kind te leren kennen en te leren welke signalen het geeft als het iets nodig heeft. Even belangrijk is het om op de signalen (hoe klein ook) te reageren, zodat hun kind beseft dat er iemand is die hun signalen ziet. Het kan een steun zijn om in het herkomstland, bijvoorbeeld van de verzorgers, al te vernemen welke signalen je kind geeft.

Om basisveiligheid te geven is het ook belangrijk om een voorspelbare structuur te bieden, en rekening te houden met een niet te abrupte overgang tussen de structuur die een kind kende en deze die adoptieouders geven.

Basisveiligheid is ook lichamelijke veiligheid geven, het kan belangrijk zijn om een kind terug flesvoeding te geven, hoewel het al vast voedsel kan eten. Heel wat adoptieouders gaan “kangoeroeën”, dit wil zeggen hun kind in een draagzak of draagdoek dicht tegen zich aan dragen.  Zo voel je niet alleen beter de signalen van je kind, maar leert je kind jou ook kennen.

2. Tweede bouwsteen: toevertrouwen

Tijdens deze fase ontstaat een begin van herkenning; de baby kan langzamerhand onderscheid maken tussen verschillende stemmen en gezichten. Dit heeft te maken met de rijping van de hersenen, maar ook met de verfijning van horen en zien.

In het begin lacht de baby nog naar iedereen, maar nu wordt het kringetje van mensen waarbij de baby zich op zijn gemak voelt kleiner. Het kind stelt zich open voor de persoon die hem veiligheid geeft en er ontstaat een wisselwerking.   Truus Bakker spreekt in dit verband over een soort stressthermostaat.

Onveiligheid (zoals honger)  creëert stress, een baby voelt de spanning, geeft een signaal, de verzorger komt en zorgt dat de spanning weer weggaat. Dit herhaalt zich zo vaak dat alleen al de gedachte “de verzorger komt” voldoende kan zijn om te kalmeren. Op die manier wordt in dat eerste jaar onze stressthermostaat als het ware afgesteld. Kinderen die een dergelijke geruststellende verzorging hebben gemist, zijn dus niet zo goed in staat om zichzelf tot rust te brengen.

Het kind ontdekt dat het die persoon als het ware kan gaan bespelen. Door te lachen en geluidjes te maken kan het bijvoorbeeld het contact met de verzorger verlengen. Het leert hoe hij/zij de aandacht van de verzorger kan vasthouden. Voor het kind en de verzorger wordt het gedrag van de ander voorspelbaar en betrouwbaar en het kind zal nu één of meerdere personen vertrouwen.

In deze fase is het erg belangrijk dat adoptiekinderen leren dat niet alleen hun signalen worden gezien en dat de wereld veilig en voorspelbaar wordt, maar dat het de adoptieouders zijn waar ze zich aan kunnen toevertrouwen en niet iedereen.

Om dit te bevorderen kunnen adoptieouders zich spiegelen aan ouders die bezig zijn met baby’s tussen drie en acht maanden oud (weer onafgezien van de leeftijd van hun adoptiekind); in deze fase zijn ouders vaak heel dicht met hun gezicht naar een kind toegewend. In het face-to-facecontact imiteren ze ook vaak de gelaatsuitdrukkingen van hun kind, wat spiegelen genoemd wordt. Op deze manier merkt een kind dat zijn signalen gezien en herkend worden en leren ze ook de gelaatsuitdrukkingen van hun ouders kennen.

In deze fase leren kinderen ook hun lichaam kennen omdat ouders in dagdagelijkse verzorgingssituaties dat lichaam in al zijn facetten benoemen. Je kan dit verder uitbouwen door middel van babymassage. Voor oudere kinderen bouwt de bewegingspedagogiek van V. Sherborne, die in een aantal kleuterscholen wordt toegepast, verder op dit thema.

3. Derde bouwsteen: zelfvertrouwen/onzekerheid

De derde steen is die van de eigenlijke hechting. In deze fase leert een kind actief meewerken om te krijgen wat hij wil of nodig heeft. Door de ontwikkeling van de fijne en de grove motoriek kan het kind nu zelf iets pakken en zelf achter de ouder of opvoeder aangaan, ook als die even uit het zicht verdwijnt.

Het is van groot belang dat een kind de angst voor de scheiding van de verzorger kan overwinnen en dit gebeurt als het leert dat die persoon steeds terugkomt. Het kind vormt zich dan een stevig beeld van de vertrouwde persoon, ook als die even weg is.

Hoe veiliger en steviger die band is geworden bij de tweede bouwsteen en hoe meer de vertrouwde persoon via alle zintuiglijke kanalen (horen, zien, voelen, bewegen, geuren) indruk heeft gemaakt op het kind, hoe beter het kind die persoon in zijn geheugen kan houden. Door dit vertrouwen kan een kind er actief op uitgaan om te ontdekken wat het zelf kan en zo zelfvertrouwen opdoen.

Welke leeftijd je adoptiekind ook heeft bij aankomst, om zelfvertrouwen op te bouwen moet basisveiligheid en toevertrouwen eerst opgebouwd zijn. Adoptieouders moeten dus voldoende tijd  nemen voor die eerste twee bouwstenen. Als een kind zich aan jou heeft toevertrouwd kan je het zelfvertrouwen gaan stimuleren door te laten voelen dat je er op afstand blijft, dit door heel veel te benoemen wat het kind doet, denkt en voelt. In deze fase kan je het afstand nemen oefenen met kiekeboe- en verstopspelletjes.

Soms moet je kinderen nog visuele ondersteuning geven voor het feit dat je er als ouder nog steeds voor hen bent, zelfs wanneer niet lijfelijk aanwezig.  Dit kan bijvoorbeeld door het meegeven van een foto van de ouders naar de oppas of een foto in de slaapkamer te zetten bij een kind dat moeilijk alleen durft te slapen. In deze fase is het ook belangrijk dat er rituelen voor afscheid en terugkomst worden ingebouwd. Dit maakt het voor een kind veiliger en voorspelbaar. Ga bijvoorbeeld nooit weg zonder dat je dit hebt aangekondigd want dit vergroot alleen de onzekerheid.

4. Vierde bouwsteen: zelfstandigheid

De vierde bouwsteen wordt gekenmerkt door het zich losmaken tot zelfstandigheid. Het kind ontdekt dat het zelf iemand is, los van de vertrouwenspersoon. Ook al is de vertrouwenspersoon weg, toch kan het kind zich een innerlijk beeld van hem of haar vormen. Tijdens deze fase ontstaan symboolvorming en taal.

Niet voor niets is één van de eerste woordjes van een kind de benaming van de vertrouwenspersoon of -personen, meestal mama en papa. Het kind wordt zelfstandig en geniet van de vrijheid die het loslaten oplevert. De vertrouwenspersoon blijft een veilige haven, voor als het nodig is.

Ouders en verzorgers merken al snel dat het kind hiermee experimenteert tijdens de beruchte koppigheidsfase: “neen ikke zelf doen”.  Geven en nemen wordt mogelijk.  Het kind kan nu ook afstand doen van iets omwille van de band met de vertrouwenspersoon om hem of haar een plezier te doen.

In deze fase is het belangrijk dat adoptieouders verder bouwen door nog veel meer samen met hun kind de dingen die hun kind doet, denkt of voelt te gaan benoemen. Zo leert het kind wie hij en zijn ouders zijn. Pas in deze fase kunnen ouders ook gaan verwachten dat kinderen ook leren wat grenzen en regels zijn.

5. Vijfde bouwsteen: creativiteit

Bij het opbouwen van de vijfde bouwsteen ontdekt het kind dat het zelf actief kan ingrijpen, creatief kan zijn en de wereld naar zijn hand zetten. Doordat het zich steeds meer los van de vertrouwenspersoon kan voelen, kan het zich nu ook inleven in de ander. In rollenspellen wordt dit eindeloos uitgeprobeerd (bv. vadertje en moedertje spelen).
Voor adoptieouders kan in deze fase het accent nog meer gaan liggen op benoemen, maar dan vooral het benoemen van gevoelens.  Pas doordat een kind zijn eigen gevoelens leert kennen kan het zich gaan inleven in de gevoelens van anderen.

 

Tips voor adoptieouders

  • Het gedrag van het kind is pas goed te begrijpen vanuit zijn specifieke achtergrond. Probeer zoveel mogelijk achtergrondinformatie over het kind in te winnen.
  • Kijk goed hoe het kind met zichzelf, de dingen om zich heen en andere kinderen en volwassenen omgaat. Zo is er vaak met het kind omgegaan. Kinderen die zich nog niet veilig voelen houden bijvoorbeeld constant hun omgeving in de gaten. Kijk ook goed naar het niet-verbale gedrag van je kind; ouders denken soms dat hun kind geen signalen geeft terwijl het heel duidelijk in hun richting kijkt als het zich bijvoorbeeld pijn doet.
  • Ouders durven nog te weinig terug te gaan in de emotionele ontwikkeling uit angst dat ze dan niet genoeg zouden “opvoeden”. Ook hun omgeving reageert vaak in deze stijl. Het teruggaan in de emotionele ontwikkeling leidt ook vaak tot regressie bij het adoptiekind en vergt een grote flexibiliteit van de adoptieouders. Veel ouders ervaren dit ook als erg emotioneel bij zichzelf.
  • Bij vroeg ontstane tekorten is huidcontact, de toon van de stem en de lichaamstaal “sprekender” dan de gesproken taal.
  • Praat met andere (adoptie)ouders, soms heb je te weinig vergelijkingspunten om te weten wat het is om een jong kind op te voeden. Slapeloze nachten, eenkennigheids- en koppigheidsfase worden zeer snel als adoptiespecifiek gezien en ze missen de relativering van het “doordeweeks” ouderschap.
  • Het adoptiekind begint zich vaak eerst aan één van de ouders te hechten waardoor de andere ouder zich onzeker gaat voelen en zich terugtrekt.  De ouder bij wie de hechting dan het eerst op gang komt, moet dan zelf door vertrouwen te laten zien in de andere ouder voorzichtig veiligheid opbouwen. “Forceren” geeft alleen maar een tegenovergesteld effect.
  • Wanneer je geconfronteerd wordt met het fenomeen van het “allemansvriendje” kan het ook nodig zijn om aan je omgeving uit te leggen dat je kind geen gemeenschapsobject is. Als een baby om de haverklap uit de kinderwagen zou gehaald worden door vreemden, zou je als ouder terecht reageren dat je dit niet op prijs stelt. Waarom dan niet wanneer een kind bij wildvreemden op schoot kruipt.
  • Peuters en kleuters die niet veilig gehecht zijn, kan je beter niet straffen of negeren. Negeren maakt het gedrag alleen nog maar erger. Zij hebben al een blauwdruk van: wat ik ook doe, er wordt toch niet op mij gereageerd. Negeren versterkt dit gevoel nog eens. Straffen werkt evenmin bij kinderen waar de aansluiting opvoeder-kind niet voldoende hecht is. Een kind dat gestraft wordt, krijgt afkeuring van zijn ouders. Het willen behouden van de relatie zet een veilig gehecht kind ertoe aan om het gewenste gedragspatroon te ontwikkelen. Een kind dat niet veilig gehecht is, zal geen behoefte voelen om de relatie te herstellen en kan geen spijt hebben van zijn gedrag. Beter in dit geval is het kind vast te pakken zodat het stopt met het ongewenste gedrag en het lichamelijk contact herstellen.
  • Bij schoolse problemen wordt veel te snel gereageerd met “remedial-teaching”, terwijl een aantal veel vroegere vaardigheden dan de schoolse nog moeten worden aangeleerd. Het overdoen van de tweede of de derde kleuterklas geeft vaak betere resultaten dan het overdoen van het eerste leerjaar, omdat nu net die vroegere vaardigheden daar nog meer aan bod komen.

Bibliografie
  • D. Brodzinsky, “Geadopteerd”  Een leven lang op zoek naar jezelf, Ambo Amsterdam 1997  236 p. ISBN 9026314817
  • F.C. Verhulst, H.J.M. Versluis, “Buitenlandse Adoptiekinderen, Vaardigheden en probleemgedrag”, Van Gorcum Assen Maastricht, 1989, 110 p.  ISBN 90 232 2470 1
  • A.Lieberman, “ Mama begrijp je me wel?”  Het gevoelsleven van Uw peuter. Kosmos, Utrecht Antwerpen  1995, 256 p. ISBN 90 215 2538 0
  • F.Juffer  “Adoptiekinderen”  Opvoeding en gehechtheid in het gezin., Boom Amsterdam 1997, 174 p. ISBN 90 5352 340 5
  • D.Michielsen, “Wennen en Hechten, een handreiking voor adoptiegezinnen”, Ouders Online, SWP Amsterdam 2004, 122 p., ISBN 90 6665 539 9
  • R.Wolfs, “Wereldkind, praten met je adoptiekind”, De Prom 2004,
  • M.H.van Ijzendoorn, “Opvoeding over de grens, gehechtheid, trauma en veerkracht”, www.boomonderwijs.nl, 265p., 2008, ISBN 978 90 473 0071 7


Auteurs: Katherine D’Hoore, Martien Kruts, Nadine Meeus en Ann Somers