In deze verhalenreeks kijken we naar de band tussen geadopteerden en hun broers en zussen. In dit verhaal vertelt Mia (een pseudoniem) over haar relatie met haar broer en zus.
Ik ben opgegroeid in Vlaams-Brabant en kwam terecht in een gezin dat geen kinderen kon krijgen. Mijn ouders adopteerden mij eerst. Nadien volgden nog een jongere broer en zus.
Als kinderen waren we sterk op elkaar afgestemd. Achteraf denk ik dat dat vooral een manier was om te overleven. We hadden elkaar, maar dat was ook omdat we weinig andere keuze hadden. Voor onze ouders was de verbinding tussen ons drie iets wat vanzelfsprekend aanwezig moest zijn.
Toch zijn mijn broer, mijn zus en ik drie heel verschillende mensen die samenkwamen in de onnatuurlijke context van adoptie. Een echte connectie tussen ons vinden en behouden was een hele uitdaging, zeker in de puberteit.
Mijn ouders zagen ons graag, daar twijfel ik niet aan, maar ze waren op bepaalde vlakken zoekend en kwetsbaar. Vooral met mijn broer hadden ze het moeilijk. Ik voelde dat mijn broer het moeilijk had met nabijheid en rust. Ik vraag me soms af welke onderliggende kwetsuren daarin een rol hebben gespeeld en welke impact dat had op de dynamiek binnen ons gezin.
Mijn ouders probeerden vanuit goede intentie te handelen, maar soms ontbrak het hen aan aangepaste of onderbouwde tools. Die hulp kregen ze amper, omdat die te weinig aangeboden werd door de adoptiedienst. En ook al had de hulp bestaan, zouden mijn ouders waarschijnlijk niet op de eerste rij gestaan hebben om die hulp te ontvangen.
Dit resulteerde voor mij in extra druk. De spanning die er soms heerste slorpte ik op, omdat ik een hekel had aan ruzie maken. Eigenlijk beantwoordde ik vooral aan de verwachtingen: braaf zijn en niet te veel tegenwerken. Ik was dus een schoolvoorbeeld van een pleaser. Mijn broer en zus pasten minder in dit pleasinggedrag, zij boden meer weerstand.
Ik ben van nature gevoelig voor de emoties van anderen. Ik voelde emoties aan, ook wanneer deze niet uitgesproken werden. Als geadopteerde kan je zenuwstelsel als een soort overlevingsstrategie de omgeving voortdurend gaan scannen op mogelijke signalen van dreigend verlies van verbinding. Vanuit die angst nam ik een verantwoordelijkheid op die ik als kind niet hoorde te dragen.
Aan mijn broer en zus had ik daarin weinig steun. Niet omdat zij niet wilden, denk ik, maar omdat zij jonger waren en zelf ook hun eigen zorgen droegen. We speelden samen, we deelden een jeugd, maar over diepere gevoelens werd thuis nauwelijks gesproken. Soms mochten dingen even benoemd worden, maar daarna werden ze snel weggewuifd. Alsof het te pijnlijk was om er echt bij stil te blijven staan.
Als ik hier nu op terugkijk, denk ik dat niemand van ons beschikte over de juiste woordenschat om de dieperliggende gevoelens te benoemen. Dat zorgde voor heel wat ruis in de communicatie.
Mijn zus kampt al haar hele leven met gezondheidsproblemen. Toen ze bij ons gezin kwam, was ze ernstig ziek en verbleef ze enkele weken in het ziekenhuis. Er werd veel zorg rond haar georganiseerd, wat begrijpelijk was gezien haar gezondheidstoestand.
Tegelijk betekende dat ook dat de aandacht in ons gezin vaak naar haar kwetsbaarheid ging. Van mijn broer en mij werd verwacht dat we rekening hielden met haar en extra zorgzaam waren. Ik begrijp dat nu als volwassene beter. En toch voelde ik als kind soms dat er daardoor minder ruimte overbleef voor wat wij nodig hadden.
Ik vermoed dat ieder van ons daar op zijn eigen manier mee is omgegaan. Mijn broer leek zich meer af te zetten. Ik paste mij aan. Mijn zus droeg haar eigen kwetsbaarheid. We hadden allemaal onze manieren om te overleven in een gezin waar veel liefde was, maar niet altijd genoeg emotionele ruimte en aandacht.
In ons gezin werd ik gezien als de verantwoordelijke. Dat werd ook van mij verwacht, omdat ik de oudste was. Ik ben een zorgend type en nam die rol met volle overgave op. Ik werd een soort van minimama. Toen voelde dat vanzelfsprekend, met de tools en emotionele inzichten die ik op dat moment had. Nu zie ik dat het ook een vorm van parentificatie was. Ik nam een emotionele verantwoordelijkheid op die eigenlijk te groot was voor mijn leeftijd.
Want het voelde ook alsof ik plaats moest maken voor mijn broer en zus. Ik werd minder geknuffeld en voelde minder geborgenheid. Na verloop van tijd kreeg ik het gevoel dat ik vooral leefde in functie van de twee anderen. Geadopteerden passen zich vaak sterk aan. Ik merkte dat dat ook bij mij zo was. Ik begon me steeds meer te schikken naar wat er nodig leek in het gezin, eerder dan te voelen wat ik zelf nodig had. Er waren slechts weinig momenten waarop ik me echt begrepen voelde.
Die patronen van vroeger zetten zich tot vandaag voort. Als wij met z’n drieën samenkomen, lijkt het alsof wij opnieuw de kinderen van toen zijn. Ik voel opnieuw de neiging om te zorgen en te begrijpen.
Vandaag probeer ik bewuster deze dynamieken te zien om zo uit het patroon te stappen. Ik wil hun zus zijn, niet een moederfiguur. Patronen die ontstaan in een tijd nog voor je woorden hebt om je uit te drukken, zitten heel diep in je lichaam. Het blijft hard werken om andere keuzes te maken en een andere rol op te nemen waarbij we alle drie als volwassenen in het hier en nu met elkaar kunnen omgaan.
Enkele jaren geleden maakte ik een identiteitscrisis door en ging ik op zoek naar mijn geboortefamilie, voorlopig zonder resultaat. Voor mij was die zoektocht iets essentieels. Zoeken naar je afkomst, je cultuur, je geschiedenis. Het raakt aan mijn bestaansrecht. Mijn broer en zus hadden moeite om dit te begrijpen. Misschien omdat zij hun eigen verhouding tot adoptie anders beleven of misschien omdat mijn zoektocht juist iets raakte in hen waar ze zelf niet klaar voor waren om naartoe te gaan. Ik kan het niet voor hen invullen, maar het houdt me wel bezig. Ik voelde daar opnieuw hoe verschillend we in het leven staan.
Voor het eerst had ik toen de moed om te zeggen dat ik tijd nodig had voor mezelf en niet langer alles kon blijven dragen. Mijn deur staat open, maar ik wil mijn eigen behoeftes niet meer negeren. Zo kan ik mijn deeltje in de dynamiek beïnvloeden en hopelijk op een volwassen manier verbinding maken.
Dat was confronterend en tegelijk voelde het noodzakelijk. Niet vanuit boosheid, maar vanuit zelfbescherming. Ik moest mezelf en mijn gezin beschermen tegen een dynamiek die mij uitputte.
Als zij bepaalde dingen anders beleven, of er niet naar willen kijken, dan probeer ik dat te respecteren. Iedereen heeft zijn eigen tempo. Iedereen heeft zijn eigen beschermingsmechanismen. Maar ik kan hun proces niet voor hen dragen. Ik kan alleen mijn eigen aandeel aankijken.
Op dit moment heb ik weinig contact met mijn broer en zus. Wanneer we elkaar zien, voelt het vaak alsof we op eieren lopen. Ik probeer bewust manieren te vinden om het contact zo gemoedelijk mogelijk te houden. Wat is de setting, wie is er nog aanwezig? Gesprekken blijven bij koetjes en kalfjes.
Dat is soms veilig, maar ook pijnlijk. Want onder de oppervlakte liggen er veel onuitgesproken gebeurtenissen, misverstanden en gevoelens. Zolang die niet besproken worden, zoek ik niet langer actief toenadering. Thuis hebben wij nooit echt geleerd om moeilijke zaken te benoemen. Het beeld dat alles goed ging, moest overeind blijven. Daardoor voelt het als volwassenen bedreigend als we eerlijk spreken.
Maar als je niet uitspreekt wat er leeft, ga je het zelf invullen. Dan vul je elkaars stilte in. Dan worden oude verhalen uitvergroot en gaan ze een eigen leven leiden. Ik wil niet langer voortbouwen op dat niet-benoemen. Het is niet zo dat alles uitgesproken hoeft worden, maar echte verbinding kan voor mij niet bestaan op een fundament van voortdurende vermijding.
Voor mijn broer en zus voelt mijn afstand misschien alsof ik er niet meer ben. Zo ervaar ik het zelf niet. Ik ben er wel. Alleen probeer ik niet langer tegen een muur te duwen wanneer iets nog niet besproken kan worden. Ik hoop dat er ooit meer ruimte komt. Maar ik kan die ruimte niet alleen maken.
Op dit moment kan ik helaas niet terugvallen op mijn broer en zus. Er is weinig samenhorigheid. Dat is een realiteit die ik met verdriet onder ogen probeer te zien.
Uiteraard waren er ook mooie momenten: periodes van spel en plezier, gedeelde herinneringen uit onze kindertijd. Doorheen de jaren zijn ze echter overschaduwd geraakt door onuitgesproken pijn, door dynamieken die niet meer nuttig zijn en een gebrek aan openheid en communicatie.
Ik zie hen graag. Die liefde blijft. Toch neem ik voorlopig afstand om het voor mezelf haalbaar te houden. Ook dat is de complexiteit van onze dynamiek: liefde en afstand die naast elkaar bestaan.
Ik had het graag anders gewild. Ik wou dat we elkaar volledig hadden kunnen vertrouwen, dat we elkaar hadden kunnen vinden als volwassenen, los van de rollen die we als kinderen moesten dragen. Die diepere connectie heb ik altijd gemist en mis ik nog steeds. Dat verlangen zit nog altijd in mij. Misschien is dat wel het zwaarste om te dragen: dat de liefde er altijd geweest is en altijd zal zijn, maar dat we het samen niet op een veilige manier kunnen beleven.
Gepost in: Interview