De voorbije jaren kwamen steeds meer schandalen van wanpraktijken bij adoptie aan het licht. Terwijl het besef groeit dat wanpraktijken een diepe psychosociale impact nalaten op geadopteerden en eerste ouders, is er veel minder aandacht voor adoptieouders. Ook zij worstelen vaak met een complexe mix van gevoelens: kwaadheid, machteloosheid, schuld, angst en verdriet. In dit artikel maken we ruimte voor deze ervaringen.
Onderzoek naar hoe adoptieouders omgaan met (de mogelijkheid) dat hun adoptiekind slachtoffer werd van wanpraktijken is ontzettend schaars.
In wat volgt verkennen we de gevoelens en ervaringen van adoptieouders. Hiervoor baseren we ons op interviews van Steunpunt Adoptie met drie adoptieouders in Vlaanderen (twee van transnationale en een binnenlandse adoptie), op twee deelrapporten van het expertenpanel interlandelijke adoptie (Vanspauwen, Sermijn & Loots, 2021) en op 154 interviews met Amerikaanse adoptieouders van Chinese kinderen. Deze laatsten horen bij één van de weinige internationale onderzoeken waarin de emoties van adoptieouders bij wanpraktijken verkend worden (Marn & Tan, 2015).
De gevoelens die we hieronder van elkaar onderscheiden zijn in de praktijk vaak verstrengeld en versterken elkaar.
Een van de voornaamste gevoelens die naar boven komen tijdens gesprekken is woede, overwegend gelinkt aan het feit bedrogen of misleid te zijn door tehuizen, adoptiebureaus of de overheid, en aan een gebrek aan gerechtigheid en transparantie in het systeem. Ook individuele medewerkers worden verantwoordelijk geacht (Vanspauwen et al., 2021).
Maryse en haar man adopteerden in 2007 een baby binnen België met, zonder ervan op de hoogte gesteld te zijn, het Foetale Alcoholsyndroom (FAS). Kinderen met FAS vragen levenslange ondersteuning en zullen nooit volledig op eigen benen kunnen staan. Dat was niet wat Maryse en haar man hadden afgesproken met de toenmalige adoptiedienst. Voor hen was het net heel belangrijk een kind te kunnen zien opgroeien van baby naar zelfredzame volwassene. Dat hadden ze dan ook heel expliciet aangegeven bij de toenmalige binnenlandse adoptiedienst. Maar de dienst wist goed welk kind ze bij Maryse en haar man plaatsten. “Dat zijn morele wreedheden”, zegt Maryse. Op de vraag welk gevoel bij haar overheerst, antwoordt ze met “woest”.
“Woest is zelfs nog braaf uitgedrukt ten opzichte van de adoptiedienst. Dit is de leugen van ons leven geweest. Ik geloof wel dat ze op dat moment niet beseften wat een kind met FAS concreet betekent voor een normaal gezin. Je legt een bom onder een huwelijk, onder een gezin, onder normale mensen. Dat is wreedaardig.”
Ze gaat verder:
“De show was ‘je bent uitverkoren’, maar uitverkoren waarvoor? Voor een kind dat 24/7 zorg nodig heeft voor de rest van haar leven?”
“Ik voel me ongelofelijk in het zak gezet. Je hebt zelf heel je ziel blootgegeven. Je bent binnenstebuiten gekeerd. Je hebt allerlei onderzoeken doorlopen. En dan blijkt het engagement dat zij zeiden aan te gaan niet te kloppen. Dat is contractbreuk, maar begin er na twintig jaar maar eens aan. Op dat moment ben je zo oververmoeid. Je bent aan het overleven. Het is niet dat je zegt van ’nu gaan wij een proces aanspannen’.”
Lisa adopteerde in 2010 een dochter uit Ethiopië. Veertien jaar later ontdekte ze dat het dossier niet klopt en dat haar dochter in werkelijkheid gekidnapt werd. Lisa voelt zich uitgebuit, zowel emotioneel als financieel. Het feit dat zulke schandalen konden plaatsvinden met medeweten van de overheid en adoptiediensten die bewust hun ogen sloten voor de schone schijn, zelfs na het in kracht treden van het Haags adoptieverdrag, noemt ze pervers en maakt haar kwaad. “Adoptie is kinderhandel op vraag van organisaties en overheden, maar dat wordt toegedekt met de mantel der schaamte en ongemak”, zegt ze.
Ook machteloosheid komt sterk op de voorgrond. Lisa vertelt helemaal gewrongen te zitten: “We worden niet geholpen, door niemand.” Ze legt uit hoe de herinneringen van haar dochter, toen die niet bleken te stroken met wat er in het dossier staat, door de adoptiedienst werden weggezet als kinderfantasie. Hoe ze mails stuurde naar de minister en VCA, waarop ze geen antwoord kreeg. Hoe alles geld kost: een proces aanspannen kost geld, degelijke hulp zoeken kost geld, een rootsreis kost geld. Dat allemaal voor een illegale praktijk waar ze nooit voor gekozen heeft.
“Mensenlevens worden kapotgemaakt. Mijn dochter is een prachtige jonge vrouw, die zich door haar verleden afgesloten heeft van haar innerlijke wereld. Niemand weet waar de sleutel ligt. We blijven zoeken, maar bestaat er geschikte hulp voor een trauma dat zo gigantisch is?”
Meerdere ouders botsen op zorgstructuren in Vlaanderen die niet sterk genoeg zijn uitgebouwd voor kinderen met een zware rugzak. De wachtlijsten zijn eindeloos en de juiste diagnoses komen te laat door gebrek aan adoptiesensitiviteit en/of fouten in adoptiedossiers. Hoewel er bij een adoptie initieel heel wat instanties betrokken worden, hebben ouders vaak het gevoel er alleen voor te staan wanneer het moeilijk gaat.
“Als ouder wil je je kind helpen, maar de correcte zorg is er gewoon niet. Voordat je een kindje mag adopteren moet je door een hele rompslomp. In de cursus wordt mooi gezegd ‘de staat is verantwoordelijk voor de adoptie’. Maar wij hebben de staat nog nooit gezien voor hulp.” (Eva)
“Ik heb niets tegen adoptie, maar zorg dat het klopt, niet alleen voor de kinderen maar ook voor de ouders. Want wij kunnen ze nu niet helpen: wat je weet, klopt niet.” (Eva)
“Er zijn geen bedden en ook de instellingen zijn niet op maat van kinderen met het Foetaal Alcohol Syndroom. Het zorglandschap in Vlaanderen, wij kenden dat niet en we hebben dat de laatste jaren van dichtbij gezien. Zulke ogen hebben wij getrokken.” (Maryse)
Deze ervaringen sluiten aan bij internationale bevindingen waaruit blijkt dat een gebrek aan transparantie (bv. over de leeftijd van het kind, medische gegevens, de aanwezigheid van ernstige socio-emotionele en psychologische problemen) ouders opzadelt met onverwachte ondersteuningsnoden, waardoor familiale stress, gevoelens van falen en machteloosheid verder toenemen (zie Vanspauwen et al., 2021).
Sommige adoptieouders ervaren daarnaast het besef dat ze nooit met zekerheid zullen weten wat er werkelijk met hun kind is gebeurd en dat het moeilijk is om ook hun kinderen hiermee te zien worstelen.
“Dit maakt het moeilijk om mijn kind haar verhaal eerlijk en correct te vertellen.” (interview in Marn & Tan, 2015)
“Je weet eigenlijk niets van jouw kind, en ja, wie moet je op de duur geloven?” (Eva)
“Ik probeer haar te doen begrijpen dat ze niet in de steek is gelaten. Dat dat niets met haar te maken heeft, maar dat is niet evident hé.” (interview in Vanspauwen et al., 2021)
Ten slotte ervaren adoptieouders veel onbegrip, zowel in de bredere samenleving, waar adoptie nog te vaak als een sprookje wordt voorgesteld, als in hun directe omgeving, waar niet iedereen evenveel inzicht heeft in de complexiteit van adoptie. Vanspauwen en collega’s (2021) spreken in dit verband van ‘de verstikkende impact’ van dominante verhalen die adoptie eerst en vooral als een positieve maatregel benaderen.
Schuldgevoel is een ander complex gevoel waar heel wat adoptieouders mee kampen. In het bijzonder speelt het dubbele gevoel in een frauduleus systeem te zijn gestapt en het daardoor mee in stand te houden, maar er tegelijk ook slachtoffer van te zijn. In het onderzoek van Marn en Tan (2015) vragen sommige ouders zich bijvoorbeeld af of hun kinderwens onbedoeld een markt heeft gecreëerd voor kinderontvoering en -handel.
“Het breekt mijn hart. Ik voel me medeplichtig aan een misdaad. Tegelijkertijd: wat kan ik er nu nog aan doen?” (Marn & Tan, 2015)
Dit soort schuldgevoel speelt evengoed bij adoptieouders bij wie de adoptie van hun kind wel correct (lijkt) te zijn verlopen. Terwijl deze ouders misschien een kind adopteerden vanuit het geloof het juiste te doen, worden ze nu door de vele verhalen geconfronteerd met de tekortkomingen van het systeem. Dit kan allerlei existentiële vragen en onzekerheden oproepen, zoals bij Lisa.
“Transnationale adoptie kadert binnen een neokoloniaal denken en daar stond ik twintig jaar geleden niet bij stil. Je denkt één op één: je wil één kindje een warm nest bieden. Maar eigenlijk als je uitzoomt en het op meta-niveau bekijkt gaat dat om ‘arme kindjes redden’. Adoptieouders vandaag de dag moeten daaraan denken.” (Lisa)
“Toen we inzagen dat het dossier niet klopte, kwam er eerst een schuldgevoel. Maar dan heb ik beseft dat we allemaal slachtoffer zijn. Mijn menslievend beeld was uitgebuit. Mijn wereldbeeld is op zijn grondvesten beginnen daveren. Het heeft een impact op hoe ik naar mensen kijk: ik denk nu snel dat ze niet authentiek handelen, dat ik in de maling word genomen.” (Lisa)
Bij anderen is het schuldgevoel eerder gericht naar het adoptiekind zelf. Eva is moeder van een zoontje uit (vermoedelijk) Ethiopië van wie het adoptiedossier hoogstwaarschijnlijk niet van hem is. Zij adopteerde hem in 2016. De officiële leeftijd van haar zoon is altijd twee jaar ouder geweest dan zijn werkelijke, wat hem in heel wat verwarrende situaties bracht, bijvoorbeeld op school of op medisch vlak. Ze vraagt zich af:
“Als we hem niet geadopteerd hadden, had hij die ellende dan ook allemaal gehad of was het gewoon een gelukkig, onbezorgd manneke geweest in een weeshuis of pleeggezin? Daar zit je wel mee. Wij hebben hem hierheen gehaald. Hij heeft daar niet om gevraagd. Dat is echt wel iets om bij stil te staan.” (Eva)
Schuldgevoel is vaak nauw verweven met schaamte, waardoor sommige adoptieouders de ‘vulkaan aan gevoelens’ waar ze mee worstelen voor zichzelf houden. Dit maakt het proces nog moeilijker en eenzamer.
Angst is een vierde prominente emotie bij adoptieouders van kinderen die (mogelijks) betrokken werden bij wanpraktijken. In het onderzoek van Marn en Tan (2015) maken de ouders zich over twee specifieke zaken zorgen. De eerste is de mogelijke schade die wanpraktijken aan hun kinderen zouden toebrengen, waarbij dit ook leidt tot moeilijkheden in de relatie ten aanzien van hun adoptiekind:
“We twijfelen aan de correctheid van de adoptie, maar we hebben geen bewijs. Ik wil mijn kind niet onnodig pijn doen, het gaat zo goed ermee. Het feit dat ge daar met uw kind niet open over kunt zijn, dat is pijnlijk. Ik zou willen dat ik oprechter kon zijn.” (interview in Vanspauwen et al., 2021)
De tweede is de angst over wat dit zou betekenen voor hun eerste families. Een moeder deelt het volgende over de verlammende gedachte dat haar kind mogelijks werd ontvoerd:
“Het is te verschrikkelijk om te bevatten. Vaak probeer ik er gewoon niet aan te denken. Maar als ik het wel doe, en stel dat mijn dochter ontvoerd zou zijn, dan zou ik haar biologische moeder willen laten weten dat ze veilig is. Mijn hart zou volledig naar haar uitgaan. Het niet-weten is gewoonweg onbeschrijfelijk. Maar een ander deel van mij denkt dat als ik het ooit zou ontdekken, mijn eerste gedachte zou zijn: ‘Wat gebeurt er nu?’ Mijn dochter is al negen jaar bij mij. Ik ga haar niet opgeven. Daarna probeer ik weer gewoon niet aan de situatie te denken.” (interview in Marn & Tan, 2015)
Verdriet bleek in het onderzoek van Marn en Tan (2015) de meest voorkomende emotie te zijn, geuit door 54 van de 154 adoptieouders. Het verdriet gaat niet zelden over eerste families:
“De situatie in China is al moeilijk genoeg, maar dat je kind van je wordt afgenomen en vervolgens zonder toestemming ter adoptie wordt afgestaan, is afschuwelijk. Ik kan alleen maar hopen dat dit niet het geval was bij mijn kind. Ik rouw om de geboorteouders van deze prachtige kinderen.”
Ouders spraken in het onderzoek verder vooral hun verdriet uit over de pijn die hun adoptiekinderen mogelijks hebben doorgemaakt bij de scheiding van hun geboorteouders. Tijdens onze eigen gesprekken uitten ouders daarnaast verdriet over het besef dat zij onbewust deze mix van emoties doorgeven aan hun kinderen. Eva verwoordt het als volgt:
“De kinderen snappen dat nog niet, hoe we door de staat van het kastje naar de muur gestuurd worden en weer terug. Maar als ik daar verdriet over heb, hebben zij ook verdriet.”
Ook waakzaamheid (in het artikel “hypervigilance” genoemd) is een gevoel dat in het onderzoek van Marn en Tan (2015) naar boven komt. Sommige ouders gaven aan heel alert het nieuws te volgen, vrezend dat er ooit een artikel zou verschijnen waarin onthuld wordt dat het tehuis van hun kind betrokken was bij kinderontvoering.
“Elke keer dat ik een nieuw verhaal hoor over de ontvoering van baby’s in China, moet ik me schrap zetten om te lezen waar het gebeurd is of waar de baby’s uiteindelijk terecht zijn gekomen. Ik weet gewoon dat ik op een dag de naam van het weeshuis van mijn dochter in één van die verhalen ga tegenkomen.”
Dit gevoel van extreme waakzaamheid kwam in onze eigen gesprekken niet naar voor, omdat er bij alle adoptieouders effectief wanpraktijken zijn vastgesteld. Ook in de deelrapporten van het expertenpanel komt dit niet ter sprake. Maar het is niet onmogelijk dat dit gevoel ook speelt bij sommige adoptieouders in Vlaanderen.
Een laatste emotie die opgemerkt werd bij de adoptieouders in het onderzoek van Marn en Tan (2015) is het vastberaden geloof dat het hen niet is overkomen. 32 van de 154 ouders gaven aan geen twijfel te ervaren bij de correctheid van het adoptiedossier van hun kinderen.
“We waren er vrij zeker van dat onze dochter niet was ontvoerd met het doel om haar ter adoptie aan te bieden.”
Deze ouders gaven meestal één van deze twee verklaringen: een gebrek aan twijfel, en het gevoel toch geen invloed te hebben op wat er in het verleden is gebeurd.
Die vastberadenheid lijkt echter ook gevoed te worden door een bredere context waarin twijfel sociaal wordt ingeperkt en ouders ontmoedigd worden om verontrustende signalen bespreekbaar te maken. Zo blijkt uit de gesprekken die Vanspauwen en collega’s (2021) hadden met adoptieouders dat andere adoptieouders hard kunnen reageren op het delen van negatieve ervaringen: ‘Hoe durft ge uw verhaal te brengen in de media? Daar kunnen wij onze kinderen niet tegen beschermen!’.
Niet alle adoptieouders ervaren dezelfde emoties, en ook niet in dezelfde intensiteit. Maar omgaan met dit kluwen is allesbehalve eenvoudig en daar wordt beslist te weinig erkenning voor gegeven. Ook wij, bij Steunpunt Adoptie, merken dat de noden van adoptieouders die geconfronteerd worden met (de mogelijkheid van) wanpraktijken bij de adoptie van hun kind minder zichtbaar zijn of uitgesproken worden.
Wanneer we vragen aan enkele ouders wat hen verder zou kunnen helpen, klinkt het antwoord steevast “dat mijn kind geholpen wordt”. Lisa voegt daaraan toe dat ze samen met anderen haar stem wil verheffen. Momenteel wordt er volgens haar te weinig de hand gereikt door geadopteerdengroepen naar adoptieouders. “Maar als iedereen op zijn eentje gaat strijden, geraken we niet verder”, zegt ze. “We moeten ons verenigen rond wat ons verbindt, en dat zijn de wanpraktijken. We zijn allemaal gejost door hetzelfde systeem. We zijn misbruikt. Laten we dat systeem aankaarten, los van al onze verschillen.”
Maryse zegt daar nog bij dat ze haar verhaal wil delen om toekomstige gezinnen te waarschuwen: “Zorg met alles van de wereld dat zoiets niet gebeurt als het niet hoeft te gebeuren.”
Heb je naar aanleiding van dit artikel behoefte aan een gesprek? Je bent welkom bij een nazorgmedewerker voor een gesprek. Ook als je je herkent in dit artikel en graag in contact wil komen met andere adoptieouders kan je ons contacteren.
Heb je vermoedens van wanpraktijken bij de adoptieprocedure van jouw kind? Maak hier melding.
Andere ideeën over wat wij voor jou kunnen betekenen? Stuur ons een mail via info@steunpuntadoptie.be.
Bronnen:
Tekst: Lise Dheedene
Gepost in: Interview